| Het Visrecht van Woudrichem
De Woekummers hadden van oudsher het recht om op grote gedeelten van de maas en de Merwede te vissen. Het is een biezonder visrecht.
Dit visrecht was verstrekt door de landsheer, niet aan een ridder, een baron of stadsbestuur, maar aan het gewone volk die dit privilege kreeg en wel op 3 juni 1362.
In een oud document staat:
'Wij, Dirc, here van Huerne ende van Althena, maken cond ende kenlic allen luden, die desen brief sullen sien of horen lezen, dat wij ghegheven hebben ende gheven onsen poirteren van Woudrichem ende onsen poirterskinderen gemeenlic op onse visscherien te visschen.'
Hieruit blijkt dat alle Woudrichemmers en hun in Woudrichem geboren nakomelingen het recht hebben te vissen in de wateren van Altena
.Over dit recht van poorters en poorterskinderen is later nog heel wat te doen geweest.
Heel woudrichem stond op z'n kop, toen in 1877 het gemeentebestuur de treurige moed had aan dit eeuwenoude privilege van de burgers te komen.
De armoedige vissers met hun meestal grote gezinnen voelden zich in hun bestaan bedreigd en kwamen tot georganiseerd verzet.Marechaussee en eenheden infanterie uit Loevestein en Gorcum moesten het 'vischoproer' komen bedwingen, er verscheen zelfs een kanonneerboot voor de vesting. Uiteindelijk gaf het gemeentebestuur toe.
In 1909 werd - de Coöperatieve Visscherijvereeniging De Hoop - opgericht die tot op heden het visrecht beheert.
Het poorterschap kan op verschillende manieren verkregen worden:
-geboorte, het poorterschap is erfelijk
-huwelijk met een poorter
-men moest zich in de stad vestigen
Verlies van het poorterschap, als men zich buiten de stad ging vestigen, dus ander dorp.
Tot op heden is dit nog steeds het geval, maar men moet lid worden van Vissscherijvereniging De Hoop, het lidmaatschap is voor het leven of totdat men naar een andere stad gaat verhuizen
|